De stem

De meeste mensen weten wel waar hun stem zit, of in ieder geval ongeveer. Desgevraagd wijzen ze naar hun hals, meestal ongeveer ter hoogte van hun ademsappel. En dat klopt. Daar zitten de stembanden. De stembanden zijn twee kleine flapjes – een charmantere term kan ik er niet voor bedenken – die aan de voorkant min of meer aan elkaar vast zitten en aan de achterkant naar elkaar toe en van elkaar af kunnen bewegen. Ze zitten horizontaal (dus van voor naar achter, niet van boven naar beneden) boven op je luchtpijp. Wanneer je je stembanden sluit, is je luchtpijp helemaal afgesloten. Stembanden is eigenlijk niet zo’n heel handige term. Het zijn geen banden, ze hebben niet de vorm van elastiekjes of snaren, het zijn eigenlijk meer twee plooien, bestaande uit spierweefsel overdekt met verschillende lagen. Logopedisten en kno-artsen spreken dan ook meestal van "stemplooien" in plaats van "stembanden" maar omdat voor de rest iedereen het gewoon over stembanden heeft, zal ik dat hier verder ook doen. Als je je er dus maar geen elastiekjes bij voorstelt.

De klankkast

Goed, de stembanden zitten dus in je keel, boven op je luchtpijp, maar daarmee zijn we er nog niet. Dat is niet je stem. Dat zou hetzelfde zijn als wanneer je stelt dat het mondstuk van een saxofoon de saxofoon zelf is. Ja, dat mondstuk is belangrijk voor het geluid van de saxofoon, maar zonder die toeter klinkt het nergens naar. Als je onze stembanden dus vergelijkt met het mondstuk is de volgende vraag waar onze toeter zich bevindt. Waar zit onze klankkast?

De klankkast van een instrument is het deel tussen dat wat trilt, bijvoorbeeld een riet, snaren, of een stuk metaal, en daar waar het geluid het instrument verlaat. Onze klankkast is relatief klein. Het is de route die de lucht aflegt tussen onze stembanden en daar waar het geluid ons lichaam verlaat (meestal bij je lippen, soms bij je neusgaten). De klankkast bestaat dus uit het bovenste gedeelte van het strottenhoofd, het deel boven de stembanden, en verder uit de keelholte, de mondholte en in mindere mate de neusholte. Dat is het. Een vrij smalle en grillig gevormde buis van een centimeter of 15. Als je dat vergelijkt met de omvang van andere instrumenten en je kijkt naar het melodisch bereik (hoe hoog en laag je kunt) en het dynamisch bereik (hoe hard en zacht) blijkt het een wonderbaarlijk efficiënt instrument. We doen met ons kleine klankkastje niet onder voor indrukwekkende hoeveelheden hout en koper. De belangrijkste reden daarvoor is dat, in tegenstelling tot de meeste instrumenten, onze klankkast geen statisch ding is, Een viool heeft een onveranderlijke, houten klankkast maar wij zijn in staat de vorm en omvang van onze klankkast telkens perfect op de situatie aan te passen. Maar daarover later (veel) meer.

Adem

De stem is dus meer dan alleen de stembanden, de klankkast speelt een minstens zo belangrijke rol in de versterking en de kleuring van het stemgeluid. En dan is er nog de adem maar daar wilde ik hier niet te diep op ingaan. Adem is namelijk maar voor een vrij klein gedeelte verantwoordelijk voor hoe het stemgeluid klinkt. Voor dit moment beperk ik de invloed van adem op de stem even tot alleen maar het volume van de stem. De stembanden worden in trilling gezet door de lucht uit je longen. Pas als die lucht met een zekere druk langs de stembanden gevoerd wordt, ontstaat er een geluid. Over het algemeen geldt: hoe hoger de druk, des te luider de stem. Je adem is dus in zeker zin je volumeknop maar dat geldt maar tot op zeker hoogte. Stemvolume wordt namelijk ook bepaald door de massa van de stembanden en de mate van stembandsluiting. En natuurlijk speelt ook hier de klankkast een niet te onderschatten rol. Een efficiëntere klankkast, leidt tot meer versterking. Een grotere klankkast zorgt over het algemeen ook voor een groter geluid. Adem is dus maar een (klein) deel van het verhaal  als het over volume gaat. Bovendien, meer luchtdruk leidt niet altijd tot meer  geluid. De stembanden kunnen geen eindeloos hoge luchtdruk aan en zullen vanaf een bepaald drukniveau minder efficiënt gaan trillen. Wordt de druk nog hoger, dan worden ze simpelweg uit elkaar geblazen en sluiten ze niet meer goed. Daar wordt het geluid natuurlijk ook niet harder van. Je ademhaling kan wel een rol spelen in het ontstaan van problemen met je stem en een ongunstig adempatroon kan tot allerlei vervelende klachten leiden. Ook speelt je adem een belangrijke rol bij de mate van controle over je stem. Dat is bijvoorbeeld bij zingen van groot belang. Maar als het je gaat om het aanpassen van je stemgeluid, is je ademhaling over het algemeen niet de eerste plek om naar te kijken. 

De stembanden

De invloed van je stembanden op het uiteindelijke stemgeluid is al een stuk groter maar ook weer niet zo groot als je misschien zou denken. De stembanden zijn vooral bepalend voor drie aspecten van het geluid.

Tekening van het strottenhoofd of de larynx. De larynx bestaat uit een botje en verschillende stukken kraakbeen en bevindt zich boven op de luchtpijp. De stembanden of stemplooien (midden in de tekening) lopen van voor (links op de tekening) naar achter en kunnen de luchtpijp afsluiten en openen.

Tekening van het strottenhoofd of de larynx. De larynx bestaat uit een botje en verschillende stukken kraakbeen en bevindt zich boven op de luchtpijp. De stembanden of stemplooien (midden in de tekening) lopen van voor (links op de tekening) naar achter en kunnen de luchtpijp afsluiten en openen.

Het eerste, en misschien wel belangrijkste dat je op stembandniveau regelt, is toonhoogte. Het stemgeluid wordt op een vergelijkbare manier geproduceerd als wanneer je het tuutje van een ballon tussen duimen en wijsvingers wat uitrekt en op spanning zet. De lucht in de ballon staat onder druk en wil eruit. Die luchtdruk duwt de twee kanten van het tuutje van de ballon wat uit elkaar. Door de opening die dan ontstaat valt de druk meteen weer wat terug en door de elasticiteit van de ballon sluit de opening zich meteen weer. De druk is dan weer zo hoog dat de boel meteen weer open geblazen wordt en het hele proces zich weer herhaalt. De lucht wordt hierdoor als het ware in stukjes gehakt en dat zet onze trommelvliezen in beweging. Die trilling ervaren we als geluid. Op precies dezelfde manier hakken onze stembanden de lucht in stukjes.

 

Dat trillen van de stembanden gebeurt razendsnel. Bij een gemiddelde mannenspreekstem ongeveer 100 tot 150 keer per seconde. Vrouwen spreken gemiddeld een octaaf hoger dan mannen en dan trillen de stembanden twee keer zo snel, zo’n 200 tot 300 keer per seconde. En bij zingen trillen de stembanden vaak nog veel sneller. De stembanden van een geoefende sopraan trillen bij de hoogste noten wel meer dan 1000 keer per seconde en de hoogste noot ooit gezongen door een mens, volgens het Guinness Book of Records, passeerde zelfs ruimschoots de vierduizend trillingen per seconde. Dat was overigens een mannenstem.

Verschillen in toonhoogte worden veroorzaakt door de stembanden telkens heel subtiel iets meer of minder uit te rekken. We doen dat door de twee stukken kraakbeen waartussen de stembanden vastzitten ten opzichte van elkaar te kantelen. Hoe verder de stembanden uitgerekt worden, des te hoger wordt de toon. Als je een elastiekje pakt en als een snaar laat trillen, zul je ook merken dat de toon stijgt naarmate je het elastiekje verder uitrekt.

Wat je dan ook zult zien, is dat het elastiekje dunner wordt naarmate je het verder uitrekt. Met je stembanden gebeurt dat net zo. Een dunne stemband heeft weinig massa en klinkt minder luid. Toch is het niet zo dat hogere noten ook altijd zachter klinken. Dat komt omdat we ook in staat zijn de massa van onze stembanden wat te beïnvloeden. Door een spiertje aan te spannen dat door de stemband zelf heenloopt neemt de masse in de stemband toe en zijn we in staat bij zowel hoge als lage tonen een stevig volume te produceren. Zo kun je met je stembanden dus ook het volume van de stem wat beïnvloeden. Volume is dus het tweede aspect waar de stembanden invloed op hebben. Dat veranderen van de massa in de stembanden maakt overigens ook dat we verschil in register kunnen aanbrengen wanneer we zingen, bijvoorbeeld het verschil tussen borst- en kopstem (over wat er precies met die termen bedoeld lopen de meningen flink uiteen, maar dat is een andere discussie).

Het derde aspect is wat ik hier even de ‘stemkwaliteit’ noem. Wanneer de stembanden over de gehele lengte goed sluiten, zou je kunnen zeggen dat de lucht in heel duidelijk stukjes gehakt wordt, de lucht wordt afwisselend volledig gestopt en weer doorgelaten. Dat zorgt voor een helder stemgeluid. Sluiten de stembanden echter niet goed, of niet helemaal, dan lekt er als het ware bij iedere sluiting een klein beetje lucht. De luchtstroom wordt niet geheel onderbroken en de stukjes waarin de lucht gehakt wordt, zijn dus wat minder duidelijk. Die lekkende lucht kun je horen op het stemgeluid, dat is wat we heesheid noemen.

Het kan ook gebeuren dat de stembanden wel (redelijk) goed sluiten maar dat het trillingspatroon, dus de manier waarop de lucht in stukjes gehakt wordt, niet regelmatig is. Dat kan gebeuren doordat er bijvoorbeeld iets op de stembanden zit wat er niet hoort te zitten, bijvoorbeeld een beetje slijm. In dat geval is het effect tijdelijk maar het kan ook dat er iets op of in de stemband gaat zitten dat niet vanzelf weer weggaat, bijvoorbeeld een cyste of een poliep. Zo’n onregelmatig trillingspatroon leidt tot een krakerig, rasperig of rafelig stemgeluid. Dat noemen we schorheid. Er is dus een wezenlijk verschil tussen een schorre en een hese stem. Ze komen vaak samen voor, maar een hese stem is evengoed niet altijd schor en andersom.

Er zijn ontzettend veel verschillende stemstoornissen met allemaal weer een andere oorzaak en een ander stemgeluid tot gevolg. Daar zal ik hier verder niet op in gaan. Ik ga er voor nu even vanuit dat je een gezonde stem tot je beschikking hebt. Een beetje hees of een heel klein beetje schor hoeft geen belemmering te vormen maar als je merkt dat schorheid of heesheid normaal stemgebruik in de weg staan of als je tijdens het spelen met je stem snel keelpijn krijgt, raad ik je ten zeerste aan eerst daar iets mee te doen voordat je verder gaat met het ontwikkelen van je stemtechniek.

De hele stem

grammofoon.jpg

Je hebt nu gezien wat de invloed op het stemgeluid is van adem (volume) en van je stembanden (toonhoogte, alweer volume en stemkwaliteit). Maar toon, klankkleur, dat wordt voor het grootste deel bepaald door de klankkast waar ik het eerder over had. Ik vergelijk de stem graag met zo’n ouderwetse grammofoonspeler. Je adem kun je zien als het mechaniek dat de boel laat draaien. Dat moet betrouwbaar en voorspelbaar zijn. Een goede ademhaling voor spreken en zingen is vooral gecontroleerd, zonder gekke uitschieters in luchtdruk. Je stembanden zijn de naald op de plaat. Drukt de naald te hard op de plaat, dan slijt de plaat te snel. Te licht en de naald gaat stuiteren en beschadigt de plaat. De stembanden moeten dus met de juiste druk gesloten worden en verder moet je ze vooral met rust laten. Je klankkast is de hoorn op de platenspeler. Hier wordt uiteindelijk bepaald hoe de muziek die op de plaat staat versterkt en gekleurd wordt. Luid of zacht, dof, schel, metalig of wollig, licht of donker. De muziek blijft hetzelfde maar de beleving ervan kan totaal verschillen. Het mag duidelijk zijn dat ik van mening ben dat daar vaak de meeste winst te behalen valt.